Economische onderbouwing

Wat kost gebrek aan grip?

De prijs van projectsturing zit niet alleen in software. De relevante vergelijking is wat verloren tijd, fouten, herstelwerk en opnieuw uitvoeren, vertraging en gebrekkige informatie-uitwisseling vandaag al kosten.

Niet al die kosten staan als 'faalkosten' in de administratie. Een deel is zichtbaar als herstel of projectverlies; een ander deel verdwijnt in gewone uren, wachten, extra afstemming, opnieuw plannen en andere proceskosten.

Van teamniveau naar project- en organisatieniveau

Micro — wat kost verloren capaciteit in één team?

  1. 5 FTE — klein team
  2. €312.000 totale jaarlijkse personeelswaarde
  3. 20% vrijgespeelde capaciteit
  4. 1 FTE
  5. €62.400 per jaar

1 FTE

vrijgespeelde capaciteit

2.080 uur

per FTE per jaar

2.080 uur

per jaar

2.080 uur

per jaar

€30

per uur

€62.400

per jaar

5 FTE klein team vertegenwoordigt €312.000 totale jaarlijkse personeelswaarde. 20% vrijgespeelde capaciteit daarvan is 1 FTE. 1 FTE × 2.080 uur per FTE per jaar × €30 per uur = €62.400 per jaar.

€62.400

Alleen personeelscapaciteit

5 FTE is hier bewust gekozen als startvoorbeeld voor een klein team. Bij €30 per uur vertegenwoordigt dit €312.000 jaarlijkse personeelswaarde. Bij 20% vrijgespeelde capaciteit komt dit uit op 1 FTE: 2.080 uur en €62.400 economische waarde per jaar. Bij 10 FTE is dat 2 FTE. De calculator rekent dit dynamisch door voor iedere positieve teamomvang en uurwaarde.

Het uitgangspunt van 20% vrijgespeelde capaciteit is een indicatief businesscase-scenario — geen gegarandeerd minimum, universeel gemiddelde of gegarandeerde besparing. Werkelijke resultaten verschillen per organisatie, project, informatiekwaliteit, proces, adoptie en discipline.

€30 per uur is een bewust eenvoudig gekozen rekenwaarde voor deze illustratie — geen werkelijk klanttarief, marktgemiddelde, volledige werkgeverslast of gegarandeerd kostenpeil.

Waar kost gebrek aan grip u tijd en energie?

Ontdek waar zoeken, mailen, bellen, statusoverleggen en dubbele administratie nog onderdeel zijn van uw dagelijkse werkwijze.

Doe de Gripscan →

Wat valt wel en niet binnen het berekende capaciteitsscenario?

De berekende capaciteitswaarde gaat uitsluitend over verloren personeelscapaciteit. Onderstaande kosten kunnen daarnaast optreden en zijn niet in dit bedrag opgenomen.

Bekijk wat wel en niet is meegerekend

Wel in dit voorbeeld

  • Verloren werkuren
  • Verlies aan personeelscapaciteit

Niet in dit voorbeeld

Herstel & uitvoering

  • Herstelwerk en opnieuw uitvoeren
  • Extra uitvoerings- en materieelkosten

Materiaal

  • Materiaalverlies en verspilling

Tijd & planning

  • Vertraging, stilstand en opnieuw plannen — vaak met doorwerking op andere projecten.

Financieel & contractueel

  • Garantie-, claim- en financiële correctiekosten

Informatie & overdracht

  • Fouten door verkeerde of verouderde informatie
  • Overdrachtsverlies

Management & overige risico's

  • Managementescalaties
  • Overige projectrisico's

Macro — waar worden kosten van gebrek aan grip zichtbaar op organisatieniveau?

Op organisatieniveau staan deze kosten zelden op één plek. Ze worden zichtbaar als directe faalkosten, verborgen proceskosten en verlies aan capaciteit en projectprestatie.

DIRECTE PROJECTKOSTEN

Direct zichtbaar in projecten

Herstelwerk en opnieuw uitvoeren, materiaalverlies, claims en correcties. Vaak herkenbaar in projectbudget of nacalculatie.

VERBORGEN PROCESKOSTEN

Verborgen in processen

Zoeken, extra afstemming, wachten, overdracht en escalaties. Vaak geboekt als gewone uren en daardoor minder zichtbaar.

ORGANISATIE-EFFECT

Effect op de organisatie

Verlies aan capaciteit, langere doorlooptijd, minder voorspelbaarheid en druk op projectresultaat. Het effect wordt vooral zichtbaar over meerdere projecten en teams.

De lagen bouwen op elkaar voort: wat in projecten zichtbaar wordt, werkt door in processen en uiteindelijk in de organisatie.

Hoe economische impact door de projectketen beweegt

Kosten worden vaak pas later zichtbaar, terwijl de oorzaken eerder in de keten kunnen ontstaan.

Doorwerking in de keten

Initiatief & voorbereiding

Oorzaken kunnen hier al ontstaan.

Aannemer / uitvoering

Hier wordt de operationele impact concreet.

Opdrachtgever / projectkosten

De impact werkt door in kosten en risico.

Initiatief & voorbereiding

Onvolledige informatie, onduidelijke besluiten, afhankelijkheden, onduidelijke verantwoordelijkheden en incomplete overdracht tussen fases blijven hier soms onopgelost.

Aannemer / uitvoering

Wachten, stilstand, opnieuw plannen, extra afstemming, herstelwerk en opnieuw uitvoeren, inefficiënte inzet van mensen en materieel, tijdsdruk en meerwerk. De uitvoering ondervindt dit ook wanneer de oorzaak elders ligt.

Opdrachtgever / projectkosten

Hogere inschrijfprijzen, risico-opslagen, meerwerk, claims, langere doorlooptijd en hogere indirecte kosten. Terugkerende risico's kunnen doorwerken in toekomstige marktprijzen; niet elke euro wordt per definitie volledig doorbelast.

Structureel terugkerende risico's kunnen doorwerken in de prijsstelling van volgende projecten en aanbestedingen.

Wat vroeg in een project niet wordt opgelost, kan verder door de keten schuiven, in de uitvoering concreet worden en uiteindelijk terugkomen in tijd, risico en kosten.

Herkenningsscan

Welke kosten van gebrek aan grip herkent u in uw projecten?

Vink aan wat in uw projecten voorkomt. Een vinkje betekent dat u het kostengebied herkent; pas wanneer u ook uren of kosten invult, wordt het financieel meegenomen in uw eigen kostenanalyse.

0 van 8 kostengebieden herkend

Uw selectie wordt automatisch overgenomen in (3) Eigen kostenanalyse hieronder. Daar kunt u kostengebieden nog aanvullen of corrigeren en per onderdeel uw eigen uren en/of kosten invullen.

Reken zelf: drie invalshoeken op de economische impact

Deze drie perspectieven beantwoorden verschillende vragen en kunnen gedeeltelijk dezelfde economische impact beschrijven. Daarom worden ze naast elkaar beoordeeld en niet per definitie opgeteld. Alleen aantoonbaar niet-overlappende eigen kosten binnen dezelfde scope kunnen worden samengevoegd; onderzoeksreferenties blijven vergelijkingscontext.

(1) Onderzoeksreferentie

Wat betekenen externe faalkostenreferenties bij uw omzet of projectwaarde?

Vul een bedrag groter dan €0 in.

Externe referentiepunten

€100.000

10% van €1.000.000 — rekenvoorbeeld

De drie hoofdreferenties geven verschillende soorten vergelijkingscontext en vormen geen onderling vergelijkbare of uniforme reeks. TNO (2013) noemt circa 10% als sector-/literatuurreferentie — de laagste hoofdreferentie, geen actueel universeel marktgemiddelde. De 15%-referentie is een in 2024 via Bouwend Nederland gepubliceerde expertreferentie. De 20%-referentie is de bovenzijde van een sectorschatting van ING (2007). De waarden worden afzonderlijk gebruikt om verschillende scenario's te bekijken en worden niet gecombineerd. Een hoger referentiepercentage betekent niet automatisch dat uw werkelijke kosten dat percentage bedragen.

(2) Capaciteitsscenario

Welke economische waarde vertegenwoordigt vrijgespeelde capaciteit?

Teamomvang (FTE)

Vul een aantal FTE groter dan 0 in. Elke omvang is mogelijk; decimalen zijn toegestaan (bijvoorbeeld 17 of 3,5). De knoppen hierboven vullen dit veld alleen in.

Rekenuitgangspunt: 20% vrijgespeelde capaciteit

Vul een waarde groter dan €0 in. 1 FTE = 40 uur per week × 52 weken = 2.080 uur per jaar.

€62.400

indicatieve capaciteitswaarde per jaar

Teamomvang
5 FTE
Scenario
20% vrijgespeelde capaciteit
Vrijgespeelde capaciteit
1 FTE
Vrijgespeelde uren
2.080 uur per jaar
Gebruikte waarde per uur
€30
Capaciteitswaarde
€62.400 per jaar

20% is een transparant businesscase-scenario — geen gegarandeerd minimum en geen bewezen universeel gemiddelde. Werkelijke effecten verschillen per organisatie, project, informatiekwaliteit, proces, adoptie en discipline.

Eigen kostenanalyse

(3) Eigen kostenanalyse — op basis van uw herkenningsscan

U vult hier alleen uw eigen uren, aantallen en kosten in voor de kostengebieden die u in de herkenningsscan hierboven heeft aangevinkt.

Startwaarde voor de gekozen kostengebieden. U kunt deze waarde vervolgens per groep aanpassen en, waar nodig, per afzonderlijk kostengebied overschrijven.

0 van 8 kostengebieden herkend

Nog geen kostengebieden geselecteerd. Vink hierboven in de herkenningsscan aan wat u herkent; die gebieden verschijnen hier automatisch als invulvelden.

Vul bij de geselecteerde kostengebieden uw eigen gegevens in.

De calculator berekent per kostengebied de door u ingevoerde personen, uren, frequentie en waarde per uur volgens de getoonde formules; directe kosten worden als jaarbedrag overgenomen. De uitkomst is daarmee rekenkundig correct op basis van uw invoer. Aangevinkte kostengebieden zonder invoer tellen niet mee en krijgen geen geschat bedrag. Verborgen projectkosten ontstaan vaak verspreid over teams, processen, projecten en budgetten; controleer daarom of alle relevante kosten zijn meegenomen en voorkom dat dezelfde uren of kosten onder meerdere kostengebieden dubbel worden ingevoerd. De uitkomst geeft het totaal van de door u ingevoerde kosten; het is geen garantie dat daarmee alle werkelijke verborgen projectkosten zijn geïdentificeerd.

De eindrekening

Kostenoverzicht huidige werkwijze

Dit kostenoverzicht bundelt de door u ingevoerde gegevens uit de drie economische perspectieven op ‘Wat kost gebrek aan grip?’. Alleen de eigen kostenanalyse vormt een optelbaar totaal; het capaciteitsscenario en de onderzoeksreferenties dienen als vergelijkingscontext. De uitkomsten zijn indicatief en gebaseerd op uw invoer.

Eigen kostenanalyse

Kostengebieden herkend

0 van 8

Financieel ingevuld

0 van 0

Nog geen financiële invoer.

Capaciteitsscenario

Teamomvang

5 FTE

Scenario

20% van de teamomvang

Capaciteit in 20%-scenario

2.080 uur per jaar

1 FTE

Gebruikte waarde per uur

€30

Capaciteitswaarde per jaar

€62.400

Onderzoeksreferentie

Omzet/projectwaarde

€1.000.000

≈10% — TNO (2013)

Sector-/literatuurreferentie

€100.000

15% — Expertreferentie (2024)

€150.000

20% — ING (2007)

Sectorreferentie

€200.000

Reikwijdte van de eindrekening

Deze eindrekening bevat alleen de kostengebieden die u zelf financieel heeft ingevuld. Andere effecten kunnen nog buiten beeld blijven óf al gedeeltelijk zijn verwerkt in de ingevoerde uren en kosten. Tel aanvullende effecten daarom niet automatisch opnieuw op.

Welke kosten kunnen nog buiten beeld blijven?

Herstel & uitvoering

Herstelwerk en opnieuw uitvoeren; Extra uitvoerings- en materieelkosten

Materiaal

Materiaalverlies en verspilling

Tijd & planning

Vertraging, stilstand en opnieuw plannen — vaak met doorwerking op andere projecten.

Financieel & contractueel

Garantie-, claim- en financiële correctiekosten

Informatie & overdracht

Fouten door verkeerde of verouderde informatie; Overdrachtsverlies

Management & overige risico's

Managementescalaties; Overige projectrisico's

Sommige van deze kosten kunnen al geheel of gedeeltelijk in uw eigen invoer zijn opgenomen. Tel ze daarom niet nogmaals op.

Hoe volledig is uw inzicht?

Goed inzicht / veel kosten geregistreerd
Vergelijk uw eigen uitkomst rechtstreeks met de onderzoeksreferenties.
Beperkt of gedeeltelijk inzicht
Beschouw ≈10–20% als bandbreedte voor vergelijking, niet als vervanging van uw eigen berekening.

Een beperkt inzicht betekent niet automatisch dat uw werkelijke kosten 20% bedragen. De onderzoeksreferenties zijn externe vergelijkingspunten; uw eigen invoer blijft de basis van de eindrekening.

Wat zegt dit samen?

Deze drie perspectieven beantwoorden verschillende vragen en kunnen gedeeltelijk dezelfde economische impact beschrijven. Daarom worden ze naast elkaar beoordeeld en niet automatisch opgeteld. Alleen aantoonbaar niet-overlappende eigen kosten binnen dezelfde scope kunnen worden samengevoegd. De onderzoeksreferenties van ≈10%, 15% en 20% zijn afzonderlijke vergelijkingspunten en worden niet onderling opgeteld.

Zo leest u dit overzicht

Eigen kostenanalyse

Dit is het optelbare totaal op basis van uw eigen ingevoerde uren en kosten.

Capaciteitsscenario

Dit laat zien wat 20% van uw teamcapaciteit economisch vertegenwoordigt. Vergelijk dit met uw eigen FTE-equivalent; tel het er niet bij op.

Onderzoeksreferentie

Dit zijn externe referentiepunten om uw eigen uitkomst mee te vergelijken. Ze zijn geen extra kostenposten en worden niet opgeteld.

Waar grijpt In Zicht aan?

  • 01 Informatie & dossier

    • Versnipperde informatie

      Eén gedeelde projectcontext

    • Verschillende versies en projectstanden

      Eén actuele projectstand

    • Ontbrekende of verouderde stukken

      Documentbeheer & geldigheidsbewaking

  • 02 Proces & planning

    • Onduidelijke afhankelijkheden

      Procesflow & afhankelijkheden

    • Te late signalering

      Procesvoortgangsmonitor

    • Losstaande planning

      Planning & projecttijdlijn

  • 03 Governance & traceerbaarheid

    • Onduidelijke verantwoordelijkheden

      D-RASCI-VS

    • Besluiten en wijzigingen niet traceerbaar

      Aantoonbare historie

    • Overdrachtsverlies tussen fases

      100%-gereedheid & gestructureerde overdracht

  • 04 Uitvoering & afronding

    • Versnipperde werkvoorbereiding en taaksturing

      Werkvoorbereiding & taaksturing

    • Afwijkingen in uitvoering te laat zichtbaar

      Risico & Realisatie / actuele uitvoeringsvoortgang

    • Technisch gereed maar administratief nog open

      Technisch & administratief gereed

Samenwerkingsbord

Visueel samenwerken op technische tekeningen in PDF: meten, aantekeningen maken en tekenen.

Onderzoek laat zien dat voorbereiding, informatie-uitwisseling, traceerbaarheid en projectduur financieel relevant zijn. In Zicht claimt niet deze onderzoekspercentages te elimineren; het organiseert juist de projectinformatie en sturing rond factoren waarop organisaties grip kunnen verbeteren.

Onderzoek, bronnen en methodiek achter de economische onderbouwing

De rekenvoorbeelden op deze pagina staan naast onafhankelijk onderzoek van TNO, ING, USP en Cantarelli et al. (TU Delft). Die percentages zijn vergelijkingscontext, geen berekening van uw eigen kosten — en ze worden niet bij elkaar opgeteld.

Hoofdreferenties faalkosten — ≈10 / 15 / 20

≈10%

TNO (2013)

sector-/literatuurreferentie — laagste hoofdreferentie

15%

Expertreferentie (2024)

sector-/expertreferentie — Bouwend Nederland, expertinschatting

20%

ING (2007)

sectorreferentie — bovenzijde sectorschatting 10–20%, met TU Delft-context

Ondergrondse infra — KLO (2023, cijfers 2022)

>10×

KLO noemt naast directe herstelkosten bredere indirecte gevolgen zoals productiviteitsverlies, vertraging, hinder/overlast en gezondheids- en milieurisico's. Indirecte impact wordt geschat op meer dan tien keer de directe herstelkosten.

Sectorinschatting, geen vaste factor voor ieder individueel bedrijf of project. Niet optellen bij de externe faalkostenreferenties (≈10%, 15%, 20%), het 20%-capaciteitsscenario of uw eigen totaal.

GWW-validatie · USP (2008): 11,2% zelfgerapporteerde faalkosten bij GWW-aannemers; bouwbreed 11,4%. Breed sectoronderzoek (n=791), geen apart schaalpunt.

Losse hoofdreferenties — niet cumulatief. De 20%-faalkostenreferentie staat los van het 20%-capaciteitsscenario in het rekenvoorbeeld hierboven.

16,5% gemiddelde kostenoverschrijding

78 Nederlandse transportinfrastructuurprojecten — andere maatstaf dan faalkosten.

+5 procentpunt hogere kostenoverschrijding per extra jaar vóór start uitvoering

Relatie binnen de onderzochte Nederlandse projectportefeuille; geen universele voorspellingsregel.

Complexiteit vergroot het risico op faalkosten

Bij toenemende projectcomplexiteit, meer betrokken partijen en langere voorbereidingsfasen neemt het risico op faalkosten en kostenoverschrijdingen toe.

TNO beschrijft dat toenemende complexiteit en het grotere aantal betrokken disciplines leiden tot meer informatie-uitwisseling en daarmee meer risico op fouten en faalkosten. De Rijksoverheid bevestigt voor grote Nederlandse energie-infrastructuurprojecten dat toenemende complexiteit — onder meer door ruimtegebrek, vergunningverlening, stikstof, personeel en materiaal — tot vertraging kan leiden.

Bronnen: TNO en Rijksoverheid. De percentages zijn losse referentiepunten — niet cumulatief.

Wat wordt niet altijd als faalkosten zichtbaar?

Zelfgerapporteerde faalkostenpercentages zijn inschattingen door ondernemers en marktpartijen. In de praktijk worden kosten niet altijd onder dezelfde noemer geregistreerd: herstelwerk, opnieuw uitvoeren en materiaalverlies zijn relatief herkenbaar, terwijl zoeken, wachten, extra afstemming, overdrachtsverlies en managementescalaties vaak als reguliere uren of proceskosten worden geboekt. Daardoor kan een faalkosteninschatting een smaller beeld geven dan de totale economische kosten van gebrek aan grip.

Vaak zichtbaar als directe faalkosten

  • herstelwerk en opnieuw uitvoeren
  • materiaalverlies
  • extra uitvoeringskosten
  • claims & financiële correcties

Vaak minder zichtbaar als afzonderlijke faalkosten

  • zoeken en opnieuw uitzoeken
  • extra afstemming
  • wachten en stilstand
  • opnieuw plannen
  • overdrachtsverlies
  • managementescalaties
  • verloren personeelscapaciteit
  • langere doorlooptijd

Daarom gebruikt deze pagina naast ‘faalkosten’ de bredere term ‘kosten van gebrek aan grip’.

Bekijk onderzoek, bronnen en methodiek

Volledige onderbouwing

Rekenuitgangspunt capaciteit. Business-case scenario van 20% vrijgespeelde capaciteit, uitgewerkt voor een klein team als startvoorbeeld: 5 FTE → 1 FTE. Eén FTE = 40 uur per week × 52 weken = 2.080 uur per jaar; bij een illustratieve waarde van €30 per uur is dat €62.400 per jaar. De calculator rekent elke ingevoerde teamomvang en uurwaarde op dezelfde manier door. Dit is een transparant businesscase-scenario voor één team, geen bedrijfsbrede claim, geen gegarandeerd minimum, geen gemiddelde en geen gegarandeerde besparing.

Personeelscapaciteit versus faalkosten. Verlies aan personeelscapaciteit is iets anders dan faalkosten. Het rekenvoorbeeld bevat geen herstelwerk of opnieuw uitvoeren, materiaal, vertraging, claims of projectverlies. Beide invalshoeken kunnen elkaar deels overlappen en worden daarom niet bij elkaar opgeteld.

Eigen kostenanalyse. Per kostengebied geldt: personen × uren per persoon × 52 (per week) of × 12 (per maand) = uren per jaar; uren per jaar × de waarde per uur van dat kostengebied = jaarkosten. Directe kosten worden als jaarbedrag ingevoerd. Aangevinkte kostengebieden zonder invoer tellen niet mee in het bedrag.

TNO (2013) — laagste hoofdreferentie. De circa 10% is een sector-/literatuurreferentie voor faalkosten in de bouw en geldt op deze pagina als laagste hoofdreferentie. Het is geen actueel universeel marktgemiddelde en geen door TNO zelf gemeten cijfer. Bekijk bron — TNO

USP Marketing Consultancy (2008). Zelfgerapporteerde faalkosteninschatting binnen een breed sectoronderzoek onder 791 respondenten: 11,2% in de GWW en 11,4% bouwbreed. Geen financiële audit en geen projectdatabase; het dient als GWW-validatie van de laagste hoofdreferentie rond 10%. Geen apart schaalpunt. Bekijk bron — USP via CBS Onderzoeksomvang n=791

ING Economisch Bureau (2007). Sectorschatting van 10–20% faalkosten. De bovenzijde daarvan is gekozen als realistisch maar stevig referentiepunt voor de businesscase en is geen vastgesteld gemiddelde. Bekijk bron — ING

Noordhuis / Nyenrode (2015). Noemt circa 10–15% faalkosten als achtergrond- en literatuurreferentie. Dit is geen eigen gemeten percentage uit de 129 onderzochte projecten. Bekijk bron — Noordhuis / Nyenrode

Koolwijk, Fleuren, Noordhuis & Van Thiel de Vries / TU Delft Repository (2012). Noemt circa 20% van de totale bouwkosten als gepubliceerde schatting van faalkosten. Referentie, geen gemeten gemiddelde. Bekijk bron — TU Delft Repository

Cantarelli et al. / TU Delft (2012). Kostenoverschrijding — niet hetzelfde begrip als faalkosten — in een onderzochte Nederlandse projectportefeuille voor transportinfrastructuur. De projecttypepercentages (spoor 10,6%, wegen 18,6%, bruggen en tunnels 21,7%) en de relatie van +5 procentpunt per extra jaar in de periode vóór de bouw komen uit het wetenschappelijk beoordeelde artikel in Transport Policy. De TU Delft-repository ondersteunt de bredere conclusie dat het grootste deel van de kostenoverschrijding ontstond in de periode vóór de bouw. Bekijk bron — Transport Policy / DOI Bekijk bron — TU Delft

Waarom percentages niet worden opgeteld. De drie hoofdreferenties (≈10%, 15% en 20%) en de aanvullende bronnen hanteren verschillende definities, jaren, sectoren en meetmethoden en vormen samen geen uniforme statistische reeks. Ze zijn geen voorspelling voor een individueel project en worden niet cumulatief bij elkaar opgeteld. De kostenoverschrijdingscijfers van Cantarelli et al. blijven eveneens afzonderlijk. Ook de KLO-context blijft een afzonderlijke sectorinschatting en telt niet mee in een totaal.

Bronnen & methodiek

TNO (2013)

TNO-rapport 060-DTM-2013-00261

Circa 10% faalkosten in de bouw als sector-/literatuurreferentie — de laagste hoofdreferentie op deze pagina; geen actueel universeel marktgemiddelde.

Sector-/literatuurreferentie (2013) — hoofdreferentie

Bouwend Nederland (2024)

Gepubliceerde expertreferentie faalkosten in de bouw

In een in 2024 gepubliceerde terugblik werd 15% faalkosten in de bouw genoemd. Expertinschatting, geen zelfstandig onderzoek en geen vastgesteld marktgemiddelde.

Expertreferentie (2024) — hoofdreferentie

ING Economisch Bureau (2007)

Toeleveranciers bouw 2007 — sectorschatting faalkosten

Sectorschatting van 10–20% faalkosten. De bovenzijde (20%) is op deze pagina gekozen als realistisch maar stevig referentiepunt voor de businesscase.

Sectorschatting (2007) — hoofdreferentie

Koolwijk, Fleuren, Noordhuis & Van Thiel de Vries / TU Delft Repository (2012)

Gepubliceerde schatting van faalkosten in de bouw

Noemt circa 20% van de totale bouwkosten als gepubliceerde schatting van faalkosten. Aanvullende context bij de 20%-referentie; schatting, geen gemeten gemiddelde.

Gepubliceerde schatting (2012) — aanvullende referentie

USP Marketing Consultancy (2008)

Sectoronderzoek faalkosten in de bouw (via CBS en Tweede Kamer)

Zelfgerapporteerde faalkosten: 11,2% in de GWW en 11,4% bouwbreed, in een breed sectoronderzoek onder 791 respondenten. Geen audit of projectdatabase; GWW-validatie bij de laagste hoofdreferentie, geen apart schaalpunt.

Sectoronderzoek (2008) — GWW-validatie

Noordhuis / Nyenrode (2015)

De waarde van ketensamenwerking — samenvatting proefschrift

Noemt circa 10–15% faalkosten als achtergrond- en literatuurreferentie. Geen eigen gemeten percentage uit de 129 onderzochte projecten.

Literatuurreferentie (2015) — achtergrond

Kabel en Leiding Overleg (2023 (cijfers 2022))

Forse afname kosten graafschades

Naast directe herstelkosten worden indirecte kosten genoemd; geschat op meer dan tien keer de directe herstelkosten. Sectorinschatting, geen vaste factor.

Sectorinschatting (2023)

Cantarelli, Flyvbjerg, Molin & Van Wee / TU Delft (2012)

Onderzoek naar kostenoverschrijding in Nederlandse transportinfrastructuur

Gemiddelde kostenoverschrijding 16,5% over 78 Nederlandse transportinfrastructuurprojecten: spoor 10,6%, wegen 18,6%, bruggen en tunnels 21,7%; +5 procentpunt per extra jaar in de periode vóór de bouw. Kostenoverschrijding, geen faalkosten.

Wetenschappelijk onderzoek (2012) — analyse van een onderzochte projectportefeuille

Rijksoverheid (2025)

Grote nationale energie-infrastructuurprojecten

Het realiseren van grootschalige energieprojecten is complex, onder meer door schaarse ruimte, beperkte stikstofruimte en schaarste aan personeel en materialen; dit kan tot vertraging leiden. Onderbouwing van de relatie complexiteit–vertraging, geen faalkostenpercentage.

Overheidsinformatie (2025) — complexiteitscontext, geen percentagebron

Niet iedere verborgen proceskost valt formeel onder dezelfde definitie van faalkosten. Daarom gebruikt deze pagina de bredere term 'kosten van gebrek aan grip'. De kosten verdwijnen niet wanneer ze anders worden geboekt. Alleen hun zichtbaarheid verandert.

Van softwareprijs naar een onderbouwde economische afweging

Beoordeel In Zicht niet alleen als softwarekosten. Zet de investering af tegen de kosten van verloren capaciteit, faalkosten, procesverlies en projectrisico.

Verloren capaciteit
Faalkosten
Verborgen proceskosten
Projectrisico

↓ Wat kost betere projectsturing?

In Zicht — tarieven op aanvraag

Een investering in projectsturing, informatiebeheersing en aantoonbaarheid.

Van verborgen kosten naar een voorspelbare investering

U heeft nu inzicht in de economische impact van verloren capaciteit, extra afstemming en verborgen projectkosten. Zet deze uitkomst naast de investering in In Zicht.

Bekijk de investering in In Zicht